We gaan even terug naar het jaar 1993. Toen Chris Pratt pas dertien was en nog niet zo onnozel in de camera keek en Bryce Dallas Howard zich nog niet rennend op hoge hakken door een dinopark begaf, achtervolgd wordend door een Tyrannosaurus Rex.  Het was het jaar dat de wereld kennismaakte met de bloeddorstige velociraptors en een ontsnapte giga-dino die enorm veel schade aanricht, terwijl twee tieners opgesloten zitten in een Jeep. Steven Spielberg gaf ons toen Jurassic Park. De originele trilogie staat nu eindelijk op Netflix.

En dat is stiekem best fijn. Er groeit nu namelijk een hele generatie op met Jurassic World. En dat is op zich prima, maar het is ook voor die groep misschien best leuk om het origineel te bekijken, waar creativiteit nog belangrijker was dan special effects en veel te ver gezochte verhaallijnen. En oké, deel twee moeten we eigenlijk vergeten, maar Jurassic Park 1 en 3 horen simpelweg bij je opvoeding.

Ik ben inmiddels begonnen en heb genoten van deel één en heb deel twee als verplicht nummertje óók weggewerkt. En met deel drie nog op het programma weet ik al wel één ding zeker: beter maken Alan Grant en Ellie Sattler in het laatste deel van Jurassic World wél hun opwachting. Krijgen we misschien nog íets van die oude magie terug.